Fysiek

Uit schermwiki
Ga naar: navigatie, zoeken

“Fatigue makes cowards of us all” – Vince Lombardi

1 Algemeen[bewerken]

Belang: Betere uithoudingsvermogen stelt het moment uit dat de schermer vermoeid raakt. Dit is belangrijk in vier situaties

  • Tijdens de individuele les
  • Tijdens de trainingen
  • Tijdens sparren
  • Tijdens wedstrijden, specifiek als het gaat om de laatste treffer.

2 Indelingen van fysieke vaardigheden[bewerken]

2.1 Generiek of specifiek[bewerken]

  • Generieke conditie: status van spieren en organen, niet verbonden met het schermen (bijvoorbeeld rennen, fietsen, zwemmen, springen, etc).
  • Semi-specifieke conditie: niet precies zoals in schermen, maar vergelijkbaar (bijvoorbeeld, uitval vanuit squat, vangen van tennisbal met een uitval, van zitten > springen > en garde bij een fluitsignaal,etc).
  • specifieke conditie: zoals voorkomend in de sport (bijvoorbeeld: sparren, schermoefeningen, lessen, etc).

Czajkowski in Understanding Fencing (p31) is een schermspecifieke basis fysieke training: - specifieke energieconditie (energy fitness) -- snelkracht -- krachtuithoudingsvermogen - specifieke coordinatievaardigheden -- fijnmotorisch -- grofmotorisch - zintuigelijke gevoeligheid -- met name tactiele zintuigelijke waarneming met de vingers - kracht van de armen en benen (zie kopje 'kracht in schermen')

Zie het kopje 'meten van fitheid' voor meer informatie hoe Czajkowski specifiek en semi-specifiek indeelt.

2.2 Piramide van conditionele spiervaardigheden[bewerken]

training_triangle_PCF-2-300x238.jpg

Deze piramide geeft aan hoe een fitheidsprogramma opbouwt van de basisrandvoorwaarden naar explosieve snelkracht en krachtuithoudingsvermogen. [1]

Algemeen:[2]

  • Explosieve kracht/Snelkracht
  • vermogen
  • uithoudingsvermogen
  • kracht
  • flexibiliteit
  • spiercontrole / mobiliteit (Range of motion)
  • proprioceptie

Fysieke vaardigheden Schermen (diamant/ruit):

  • Specifieke scherm-explosiviteit
  • Specifieke kracht en uithoudingsvermogen
  • Specifieke spiercontrole (balans, coordinatie) en mobiliteit > techniek en motorische vaardigheid (spelintelligentie)
  • Generieke kracht en uithoudingvermogen
  • Generieke spiercontrole en mobiliteit

2.3 Overige fysieke vaardigheden[bewerken]

  • Flexibiliteit
    • van de gewrichten
    • pols elleboog knie enkels
    • uitval kunnen maken. Binnenkant dijen >>
    • losse schouder >> ontspannen en lang maken van de schouder
    • knieëen naar buiten in en garde positie.
  • Stabilisatie
    • Van de gewrichten : pols elleboog, knie enkels
    • Core: van de buik
  • Sensitieve vermogen
    • Voelen met de voeten
    • Voelen met de vingers >> voelen met het wapen. >> Sentiment du/de? Fer.
  • Proprioceptie.
    • Luisteren.
  • Ruimtelijk oriëntatievermogen
    • Waar is de tegenstander? Wat gebeurt er om mij heen. Waar sta ik op de loper/van de achterlijn.
  • Kinetisch differentiatievermogen.
    • Belangrijk in schermen?[3]
  • (Complex) reactievermogen
    • reflexen
    • keuze-reacties
    • Inhibitievermogen
  • Coördinatievermogen
    • Balletje hoog kunnen houden.
    • Punt neer kunnen zetten waar je hem wilt hebben > trefzeker
    • Eindposities van de lijnen en parades
    • Weten waar je punt is.
    • Oog-hand coördinatie
  • Aanpassingsvermogen
    • Tempo kunnen verhogen (of vertragen)

3 Motorisch ontwikkeling en vaardigheden[bewerken]

Motorische ontwikkeling in het schermen:

  • Alle spiergroepen aan kunnen roepen in bepaalde situatie.
  • Uit zich in creatief kunnen schermen
  • En minder kans op blessures
  • Motorische intelligentie: is de juiste beweging kunnen kiezen.
  • Dynamisch op de loper bewegen // spiergroepen aanroepen als het nodig is.

3.1 Closed of open loop motor skills[bewerken]

  • closed (loop) motor skills > vastgelegde beweging, vaak in herhaald patroon, bijvoorbeeld fietsen en rennen.
  • open motor skills > beweging afhankelijk van input omgeving, bijvoorbeeld schermen, basketball, voetbal, autorijden.

Volgens Schmidt[4]

  • motor type (zwemmen, roeien, fietsen)
  • cognitieve type (schaken, kaarten)
  • cognitieve-motor type (schermen (tennis, etc)

4 Conditietraining / uithoudingsvermogen / energiesystemen[bewerken]

4.1 Opbouw van een schermtoernooi[bewerken]

Een internationaal schermtoernooi kan tussen de 9 en 11 uur duren. Schermontmoetingen (bouts), waarbij een schermatleet bezig is, zijn ongeveer 18% hiervan. De zuivere schermtijd (effective fight time) is tussen de 17 en 48 minuten. De lengte van de dynamische fases is erg onvoorspelbaar, ergens tussen de 1 tot 60 seconden. Ontmoetingen zijn karakteristiek opgebouwd door submaximale intensive voorbereidingen, gevold door maximaal intensieve finales, waarbij men de tegenstander probeert te raken. Hierdoor wordt het energiesysteem van een schermer op wisselend variabele manier belast.

4.2 Fysiologische studie naar metabolisme tijdens schermpartij[bewerken]

Vanuit een fysiologische perspectief lijkt schermen een met tussenpozen onderbroken fysiek belastende sport, met korte pozen van maximaal of zelfs supramaximale intensiteit, waartussen rust- en herstel plaatsvindt. Hierdoor is het aannemelijk zowel het aerobe als anaerobe systeem belast wordt. In een studie door Milia et al (2013)[5] is dit getest.

De studie met 15 subtopschermers (10-12 uur training per week voor minstens 5 jaar) bestond uit een schermsimulatie (3x3 minuten schermen op een schermpiste), waarbij zuurstofopname, co2-productie, hartslag en lactaatwaarden in het bloed zijn gemeten. De data suggereert:

  • dat de fysieke belasting beperkt (moderate) is voor ervaren schermers [!voor de test van 3x3 minuten schermen!], en dat zowel het aerobische als het anaerobische systeem matig worden belast.
  • Dat de har6slag naar gemiddeld zo'n 180 bmp gaat tijdens het schermen.
  • Dat de tijd tussen de manches in een eliminatie onvoldoende is om te herstellen, zo ook tussen ontmoetingen tijdens een poule, en dat deze HERSTELTIJD een belangrijk onderdeel zouden moeten zijn van het trainingsprogramma.

4.3 Generieke conditie- en krachttraining bij toppers nodig?[bewerken]

Volgens Czajkowski is voor toptalenten en ervaren schermers generieke kracht-en-uithoudingsvermoging training niet meer nodig. Dit onderbouwt hij met een flinke studie, waarbij verschillende specifieke en semi-specifieke testen worden afgenomen. Hij concludeert dat de correlatie tussen "all-round fitness" en wedstrijdresultaten afneemt naarmate de schermleeftijd toeneemt (en dus de LTAD/schermstage in meerjarenplanning). Bovendien maakt hij het volgende tabelletje voor schermers boven de 20 voor de correlatiecoëfficiënt tussen fitheid en wedstrijdresultaat (zie pagina 265,266,267):

  • 0.29, met algemene fitheid (allround fitness, met daarin 40m-shuttle run, 4x10m rennen, een "envelope run" (?), bending over (flexibility), sit-ups, long-jumps, push-ups with hand clapping and throwing a 3kg medicine ball)
  • 0,75, met specifieke fitheid (specific fitness, zoals 20x een bal vangen met een uitval, snelheid van schermpassen, voor-en-achtwaarts stappen, uitvoeren van samengestelde acties, etc. Zie schermwiki voor meer)
  • 0,75, met psychomotorische vaardigheden (psychomotor abilities, "speed of various types of reaction and various aspects of space-time orentation measured on a special apparatus")

Hierbij moet je er niet aan voorbij gaan dat de schermers die op hoog niveau wedstrijden doen uiteraard allemaal een hoge basisfitheid zullen hebben. Bovendien geeft hij zelf aan dat "all-round fitness" goed is voor actieve rust, het voorkomen van blessures en het versnellen van herstel.

5 krachttraining[bewerken]

"after working with a pick-axe, one does not play the violin" -- quote van [citation needed]. (in (scherm)trainingen doen we dit soms BEWUST juist wel. Eerst conditionele fysieke training en dan pas techniek/tactiek en sparren, zodat het spier- en aansturingssysteem extra uitgedaagd wordt)

5.1 wat is kracht in schermen[bewerken]

Spierkracht in schermen heeft verschillende factoren[6]:

  • Kracht: In schermen, de kracht (Newton) die we op de omgeving moeten uitoefenen is niet groot in vergelijking met andere sporten.
  • Vermogen: De geleverde arbeid (in principe kracht X weg) per tijdseenheid is echter WEL erg hoog. Bij een stap-uitval levert een schermer al gauw 1500 WATT[7]
  • Tijd: schermers hebben erg weinig tijd - een fractie van een seconde om een treffer te maken.
  • Frequentie en tijdduur: 3 minuten herhaalde bewegingen, gevolgd door een rustperiode. Periodes van maximale inspanning duren zelden langer dan 30 seconden (zie ook HIIT).
  • Versnelling: In schermen is vaak extreme versnelling nodig. Bijvoorbeeld in sabel vanaf de startlijn meteen een aanval en finale wordt ingezet.
  • Vertraging: schermen vraagt geregeld het afremmen van het totale lichaamsgewicht. Het veranderen van richting op de loper. Het kunnen vertragen van de armen is ook heel belangrijk in vechtsporten: na het missen moet je snel kunnen herstellen.
  • Balans: bestaat weer uit veel componenten, zoals:
    • de hoek van de kracht: de armen moeten kracht kunnen uitoefenen vanuit allerlei hoeken. De benen vragen minder variatie, maar meer specialisatie.
    • inslag: de schermer moet op verschillende manieren botsingen kunnen weerstaan, bijvoorbeeld bij corps-a-corps of wanneer de kommen tegen elkaar komen. Dit speelt natuurlijk veel meer in sporten zoals Rugby.
    • glijden: Volgens het boek [6] komt glijden erg weinig voor bij schermers. Echter, ik (Boudewijn) denk dat glijden op de loper, van de loper, schermen met gladde schoenen of op een gladde vloer, erg veel voorkomt. Om blessures te voorkomen moet een schermer in staat zijn goed te glijden en misstappen (denk aan de rand van de loper of zelfs het verhoogde wedstrijdpodium)
    • snelle start, stop en veranderingen van richting. Dit is er constant in schermen.

5.2 Sterke schermspieren[bewerken]

In schermen wordt de spier sterker, zonder dat we streven naar enorme, grote spieren. Immers veel gewicht dat verplaatst moet worden maakt een schermer onnodig traag. Het is belangrijker om een 'gezonde' spier te hebben.

Factoren in het sterker maken van een spier zijn:

  • neurale aansturing: door meer motorunits aan te spreken, is er meer spierweefsel tegelijk actief.
  • vaardigheid en coördinatie: het zorgen voor een goed "motor engram" (een complex motorprogramma dat een lichaam leert), voor precisie, betrouwbaarheid/consistentie en 'echte' snelheid.
  • sterker bindweefsel: bindweefsel ontwikkelt zich 5-7 keer langzamer dan spierkracht. De training moet dus in het juiste tempo worden opgebouwd.
  • meer bloedtoevoer
  • meer capaciteit van het aangesproken energiesysteem (zie ook uithoudingsvermogen). Met name het snellere herstel door een beter uithoudingsvermogen zorgt voor meer spierkracht (bij de volgende herhaling/aanspreking).
LET OP! Wat je dus niet wilt is spierhypertrofie (hypertrophy) en/of afvallen. 90% van de adviezen op het internet zijn gebaseerd op deze twee!

5.3 Beginselen van krachttrainingen voor schermen (vermogen)[bewerken]

  • eerst maximaalkracht, al snel werken aan snelkracht en (snel)krachtuithoudingsvermogen.
    • hoge rep-snelheid (dus de bewegingssnelheid) zou de basistraining moeten zijn voor ALLE krachtatleten (dus zelfs als snelkracht geen issue is, dus OOK als maximaalkracht het doel is).[8]
  • Eigenlijk gaat het om VERMOGEN (power) en niet om KRACHT (force). Hieronder wat wetenschappelijke feiten over trainen van vermogen[9]
    • het lijkt erop dat om het vermogen te trainen het beste getraind kan worden met een grote variatie aan belastingen (dus gewichten). Hierbij zullen lage trainingsbelastingen (gewichten) het meeste effect behalen bij "tests" met lage belastingen. En trainen met hoge belastingen (gewichten) het meeste effect bij "testen" met hoge belastingen. In hoeverre een belasting bij het schermen dan hoog of laag is is een tweede (immers, afzetten van de vloer voor bijvoorbeeld een snelle uitval zal een dynamische kracht vereisen die zeer hoog is).
    • hogere rep-snelheid (zie bij maximaalkracht)
    • dichtbij 'failure': dus trainen dichtbij het maximaal.
    • langere rustperioden (waarmee het artikel bedoelt, eerder 2a3 minuten dan 30 seconden).
    • voor frequentie, omvang, ROM en spieractie is er weinig wetenschappelijke literatuur.
  • Veel multi-articulaire oefeningen / weinig gebruikmaken van de machines in de sportschool: deze isoleren spiergroepen, terwijl in de schermpraktijk het gehele lichaam moet samenwerken. Hierbij sluiten trainingen met losse halters e.d. beter aan.
  • veel afwisseling van trainingstype van het soort kracht / energiesysteem
    • absolute strength = maximale kracht (zeer hoge belasting, zoals 1 RM)
    • strength speed = explosieve kracht (hoog percentage van 1 RM)
    • speed strength = reactieve kracht (bijvoorbeeld explosieve plyometrische oefeningen)
    • absolute speed = sportoefeningen op snelheid (bijvoorbeeld zonder verhoogde belasting)[10]
  • afwisselen van spiergroepen en hersteloefeningen om zo binnen 1 uur een effectieve training af te handelen.

5.4 Wat als een krachtsoefening niet lukt?[bewerken]

Oorzaken:

  • of de spieren zelf zijn onderontwikkeld
  • of de aansturing is onderontwikkeld
  • of het bindweefsel is onderontwikkeld
  • of de stabiliserende spiergroepen (zoals de Transversus abdominis / dwarse buikspier) zijn onderontwikkeld.

Wanneer er teveel spanning in de pezen staat (de stabiliserende spiergroepen of het bindweefsel te slap is), dan treedt er een beschermingsmechanisme van het lichaam in werking, dat de zenuwsignalen naar de spieren blokkeert[6]

Bestand:Transversus abdominis.png
Transversus abdominis

6 Spiergroepen tijdens het schermen[bewerken]

6.1 Algemeen: welke spieren er belangrijk in het schermen zijn.[bewerken]

Volgens Livestrong:[11]

  • Calves
  • Core
  • Quadriceps
  • Shoulders
  • Lower Back

Volgens deze Youtube-video is vrijwel iedere spier betrokken bij het schermen: Hoofdspiergroepen:

  • trapesius
  • anterieure en posterieure deltoids
  • biceps
  • forearm
  • Quadriceps
  • Triceps

Ondersteunende spiergroepen

  • pectorals
  • anterieur soretus (?)
  • hip
  • hamstring
  • upper and lower abdomenals
  • (pertisiumus (?) dorsi
  • calves

Auxiliary

  • (none)

Czajkowski focust bij zijn beschrijvingen (Understanding Fencing, p31) op de BENEN en ARMEN:

  • BENEN
    • schermhouding (stance): afhankelijk van discipline 9 minuten lang (met korte pauzes) in een diepe houding kunnen staan. Dit is nodig voor goed voetenwerk tijdens een degeneliminatie van begin tot einde
    • snelle, gerichte verplaatsingen op de loper
    • snelle uitvallen, ballestra's en fleches. Hiervoor moet de explosieve snelkracht worden getraind.
  • ARMEN
    • langdurig (weer 9 minuten) vasthouden en manipuleren van het wapen. Strekken, draaien, etc. 9 minuten worden langer gezien over een wedstrijddag.
    • krachtige slag-steken. Ook hier weer zeer explosieve (hoge versnelling EN decelleratie) bewegingen.
    • krachtige bindingen (minder explosief, meer kracht-coordinatie)
    • krachtige parades, wanneer een "nette' parade met het sterk van het wapen niet mogelijk is.

6.2 bekeken vanuit een kinematische keten[bewerken]

Een schermer moet met zijn wapen veel bewegingsvrijheid hebben. Zo zal vanuit een schermhouding parade 6 - doorvoeren naar 7 - coupe-steek in zowel van de punt een hoge snelheid eisen, van de pols veel translaties en rotaties en waarschijnlijk ook nog behoorlijke kracht uitgeoefend. Al deze kracht wordt uiteindelijk afgewenteld op de grond. bij een schermbeweging in de pols zijn dus spieren van de voeten, benen, bekken, buik, schouder en arm betrokken. Dat doet een schermer uiteraard niet bewust, maar het lichaam is in staat om bij een beweging voldoende stabiliteit te realiseren om alle krachten door te voeren.

  • voet
  • enkel
  • knie
  • heup
  • Lumbale wervels
  • Thoracale wervels
  • Schouderblad
  • Schoudergewricht
  • Elleboog

Kijken we naar de bewegingen van een geïsoleerd gewricht (bijvoorbeeld de pols) dan zien we dat groot aantal spieren een rol spelen, immers alle vrijheden (Range of Motion) in vrijwel de gehele kinematische keten van vinger tot aan schouder of vloer wordt gebruikt (Voorbeeld pols: extensie, flexie, abductie, adductie). Voor al deze gewrichten moet dus de stabiliteit worden getraind.

6.3 Spiergroepen en bewegingspatroon van een uitval[bewerken]

Er moeten heel wat artikelen zijn met wetenschappelijke studies van de kinematica en bio-mechanica van de (scherm)uitval. Bijvoorbeeld:

  • De kinematica van een uitval is met video-analyse bekeken in een Iraanse studie.[12]
  • Een artikel geeft aan dat de coördinatie tussen de benen en armen sterk varieert met de beginhouding van de schermer, maar niet zozeer tijdens de uitvoer van dezelfde schermer (intra-subject) [13]

6.4 Spierkramp[bewerken]

hier staat een uitgebreid artikel over spierkramp: SportsScientists.com (vijf delen)

7 Flexibiliteit[bewerken]

Veel schermmaitres zweren bij een hoge flexibiliteit. Bewegingen die een hoge mate van flexibiliteit vergen komen veelvuldig voor in het schermen:

  • zetten van de voet op de achterlijn: split bij naar achter gaan
  • lange uitval (split)
  • flexibiliteit van het schoudergewricht, zodat de arm extra uitgestrekt kan worden
  • etc

Ook al zijn er dus topschermers met zeer beperkte flexibiliteit, Ook voor blessurepreventie moet flexibiliteit een onderdeel zijn van een trainingsprogramma.

7.1 Plek in het trainingsprogramma[bewerken]

  • Altijd na warming-up
  • Indien tussen warming-up en voetenwerk/schermen: dynamisch en licht.
  • Indien voor een wedstrijd: dynamisch en licht. Niet te hard strekken omdat wetenschappelijk is aangetoond dat dit snelkracht vermindert [citation needed]. Wel je gewone bewegingbereik opwarmen, bijvoorbeeld diepe lunges.
  • Indien tijdens trainingen: liefst NA alle inspanning, een flink blok, daarna cooling-down
  • Het beste: losse trainingsuren, bijvoorbeeld 1 sessie per week van 1,5 uur. Warmin-up, kern met rekken van alle spiergroepen (50 min) en dan weer cooling down.

7.2 Effectieve wijzen van het trainen van flexibiliteit[bewerken]

"Old school" technieken, dus statisch / zonder bewegen het vasthouden van een strekking voor 30 seconden, blijken lang niet zo effectief voor flexibiliteitstraining als PILATES of YOGA, zeker niet wanneer het gaat om flexibiliteit van het hele lichaam[citation needed][14]. PILATES (en yoga) werken met dynamische bewegingsoefeningen die de flexibiliteit en kracht in het lichaam verbeteren. Daarnaast is PILATES goed voor de ontwikkeling van core-stability.

zie hoofdartikel: rekken

8 Gymnastiek voor schermers[bewerken]

In deze videos zien we een combinatie van klassieke gymnastiekbewegingen/plyometriek met schermbewegingen:

Kritiek op deze oefeningne. Zijn ze wel goed voor de knie? Lijkt een hoge belasting op de gewrichten uit te oefenen. Sommige oefeningen zijn alleen voor topatleten met een geduldig getraind spier-skeletsysteem.


9 Meten van fitheid[bewerken]

Wedstrijdresultaten en observatie van partijen geven een goed beeld van de prestaties van de schermer als geheel. Echter, om trainingsdoelen te bepalen wil je doelvariabelen (hier conditioneel) isoleren van de andere variabelen (mentaal, techniek, etc). En de andere conditionele factoren.

Het meten van de conditie in een speciaal ontworpen test of testserie biedt dan uitkomst. Je kan de conditie van een schermer meten zowel generiek als specifiek.

9.1 Voorbeelden generieke fitheidstesten[bewerken]

Uit Understanding Fencing[15] en verder aangevuld. In Understanding Fencing legt Czajkowski een wetenschappelijk experiment uit wat aantoont dat generieke conditie op hoog schermniveau NIETS uitmaakt voor prestaties:

  • 40m shuttle run
  • start-stop 4m
  • voorover buigen (flexibiliteit)
  • sit-ups
  • verspringen vanuit stand (standing long jumps)
  • push-up met handenklap
  • gooien van een medicijnbal
  • Balletje hooghouden: hoe vaak.
  • Bal in basket laten gooien >> hoeveel pogingen.

9.2 Voorbeelden semi- en schermspecifieke testen[bewerken]

De testen ook vaak basistechniek, zoals passen, synchronisatie, etc.[15]

  • snelheid van schermstappen: bijvoorbeeld: stap voorwaarts en terug, 4m, 5x
  • snelheid en precisie: houw hoofd met uitval, 5x. OF 20x een bal vangen met een uitval
  • samengestelde acties: slag-vier en houw-hoofd met uitval
  • reactiesnelheid: 15x een vallende handschoen raken met een steek+uitval (afstand gelijkhouden). bord met lampen: welke snelheid, welke score?
  • psychomotorische vaardigheid: met speciale apparatuur valt dit te testen [citation needed]
  • fijnmotoriek: balletje aan touwtje in een deurportaal. Hoe vaak kan je raken in 1 minuut. Uiteraard lastig te standaardiseren.
  • Stabiliteit: lopen over omgekeerde bank: hoe snel. Wie durft: Uitval maken op omgekeerde bank (oppassen voor blessures bij moeilijke testen zoals deze).

9.3 Suggestie voor fitheidtest met schermspecifieke testen[bewerken]

Het volgende programma is een eerste aanzet tot een fitnesstest voor (beginnende) wedstrijdschermers. Het is uitgeprobeerd met junioren en senioren, in een groep met verschillende niveau's. De gemiddelde en standaarddeviatie van die test zijn gegeven in de laatste kolom. Uiteraard zijn de schermers van te voren uitgebreid opgewarmd (warm-up), voldoende gedronken tussendoor. Ideale voorbereiding voor de testen is dezelfde als voor een wedstrijd. Groepsgrootte=1, dan kan iedereen tegelijk uitvoeren. Groepsgrootte=3 twee controleurs (en meer rust).

korte beschrijving target groeps-grootte lange omschrijving wat test ik? suggesties
3min schermpassen, tik lijn (2m) 60 reps 1 Twee lijnen op de grond staan 2 meter uit elkaar (bijvoorbeeld waarschuwings- en achterlijn). De schermer neemt plaats met zijn voet achter de achterlijn. Daarna moet hij/zij de waarschuwingslijn aantikken (2 a 3 schermpassen voorwaarts) en dan weer achter de achterlijn komen (2 a 3 passen achterwaarts). Dat is 1 cyclus. Idee is om schermspecifieke versnelling en vertraging (agiliteit) van het voetenwerk te meten. Uithouding van 3 minuten is voldoende voor 1 ontmoeting. getest met 2 minuten, gemiddelde 38, SD 3,7. Dit duidt op te weinig variatie. Daarom suggestie van 3 minuten. Stappen zijn ook prima eerste oefening, opnieuw warm worden.
2min stap-uitval, over mat (50cm) 58 reps 3 Er ligt een mat op de grond. Naast de mat staat een controleur (telt). De schermer moet een stap-uitval maken over de mat. En weer een "recovery" naar de uitgangspositie. Elke uitval is 1 cyclus. Idee is om de kracht-uithoudingsvermogen te testen van de uitval. Test: Gemiddelde 52, SD 7.1. Zonder de stap zal de opdracht niet lukken, omdat men dan het massamiddelpunt boven de mat houdt en zo de techniek van de uitval teveel verloren gaat.
snelheid: 14m loper op-en-neer (BOO3) 8s (goede techniek) 3 Schermer begint achter de achterlijn, moet de andere achterlijn halen met de voorvoet en weer terug achter de achterlijn eindigen. Zo legt hij 28m af met schermstapjes. Een controleur zegt START en timet. Beste van 3 (best out of) Idee is om de topsnelheid van een schermer te meten. Techniek wordt snel opgeofferd. Is daarmee de test minder bruikbaar? Gem 8,9 SD 1,19. De tijd is wel erg kort en daarmee foutgevoelig. Suggestie om de 3x van de loper achter elkaar te timen (zal rond de 30 seconden uitkomen)
spronghoogte (BOO5) 100cm 3 Schermer springt omhoog. 2 controleurs bewegen een lat mee met het laagste punt (dit is erg foutgevoelig, maar wel makkelijk uitvoerbaar). De beste lathoogte wordt na 5x opgemeten. maximaalkracht & motorische timing spronghoogte (met name voor uitval). foutgevoelige methode, door beste van 5 zal dit minder worden. Controleurs moeten op knieen zitten zodat de ogen op lathoogte komen.
afstand stap-ballestra-uitval (BOO5) 400cm 3 Schermer begint achter een lijn. Daarna maakt deze een vloeiende voetenwerkserie (stap, ballestra, uitval). Een controleur legt een blokje of ander voorwerp bij de eindpositie. Wanneer bij een van de volgende 4 pogingen de schermer verder komt, dan wordt het blokje naar achter geschoven. Daarna wordt de afstand van de lijn tot het blokje gemeten. Als de schermer niet eindigt in balans, telt de poging niet. coördinatie van verschillende schermacties, in combinatie met het kunnen sturen van de kracht (vooruit, niet omhoog) lastig is hier dat een ballestra in principe niet VER hoeft te zijn, maar wel SNEL. Dus het technische begrip kan hier heel erg uitmaken.
2min burpies met push-up 35 reps 1 De schermer maakt burpies met pushup: begin in stand. Plaats handen naast de voeten. spring met de voeten naar ligstand. Push-up. Spring met de voeten naar de handen. Spring omhoog, met gestrekte armen. Dit is 1 cyclus/repetitie. krachtuithoudingsvermogen. Met deze opdracht gaat de hartslag flink omhoog. In het verzuringsgebied door 2 minuten. testgroep: 25 gemiddeld, SD 7. Beproefd volgens HIIT-fitheidtest, combi wel met de gewone burpies.

Als laatste test relatief in de groep. Deze kunnen alleen RELATIEVE VOORUITGANG aangeven wanneer de groep ongeveer dezelfde samenstelling houdt.

korte beschrijving target groeps-grootte lange omschrijving wat test ik? suggesties
pakreactie. Sneller dan.. nvt all De schermers staan tegenover elkaar in stelling in paren van 2 op 4 mm (stellinglijnen). Op precies de helft ligt een voorwerp (steen/blokje, evt handschoen). Wanneer de coach in zijn handen klapt proberen beiden schermers hun hand bovenop het voorwerp te leggen (of het te pakken). De schermer die het voorwerp heeft of aanraakt wint. Doordraaien totdat iedereen iedereen gehad heeft. Eindscore is het gemiddelde (bijvoorbeeld 9/10 winst = 90%) reactievermogen t.o.v. de groep. Zowel cognitief als motorisch. gemiddelde 50%, SD 26%.

9.4 Het doel: Hoeveel is genoeg?[bewerken]

Een ideaalbeeld is om te werken zoals ze doen in het Amerikaanse Basketball. Daarin krijgt iedere sporter periodiek een kracht- en conditietest. Die test moet voldoende zijn, anders wordt de speler (die miljoenen waard is!) EERST teruggestuurd naar de fitnessruimte om de minimale waarden weer te halen. Verder zal krachttraining moeten worden om het krachtniveau te onderhouden (1x per week), ingezet om spierdystrofie te voorkomen (bij duurgebruik bijvoorbeeld door veel trainen), te wapenen tegen blessures, actieve rust, etc.

Echter om op deze wijze te trainen moet je wel een heel helder beeld hebben van de te halen doelen. Welke uitkomst van welke tests zetten de lat? Hierop is in het schermen lastig antwoord te geven. In de praktijk is het trainen van "allround-fitness", bijvoorbeeld door krachttraining, het doen van andere vechtsporten, etc, een zeer goede aanvulling voor de schermatleet.

10 bronnen[bewerken]

  1. http://paincavefitness.com/2013/09/07/running-away-from-me/
  2. http://paincavefitness.com/2010/08/18/7-attributes/
  3. http://www.tasseikan.be/main.aspx?rubriek=techniek&subrubriek=Techniek%20versus%20Fysiek
  4. Schmidt R.A., Motor Control and Learning, 1988
  5. Physiological responses and energy expenditure during competitive fencing, Journal of Applied Physiology, Nutrition, and Metabolism abstract
  6. 6,0 6,1 6,2 Strength training for fencers, Harry James, 2006, SKA SwordPlay
  7. GUILHEM_2014_Mechanical and Muscular Coordination Patterns during a High-Level Fencing Assault
  8. http://www.strengthandconditioningresearch.com/2014/05/06/repetition-speed-part-two/
  9. http://www.strengthandconditioningresearch.com/2014/07/09/resistance-training-power/
  10. 2014, Visie op trainen, door Ad van der Weg
  11. Livestrong.com: Muscles used in Fencing
  12. M. Gholipour, A. Tabrizi and F. Farahmand, 2008, World Journal of Sport Sciences, Kinematics Analysis of Lunge Fencing Using Stereophotogrametry [pdf http://www.idosi.org/wjss/1(1)08WJSS/6.pdf]
  13. Jürgen Klauck, 1998, 16 International Symposium on Biomechanics in Sports, LOWER AND UPPER EXTREMITY COORDINATION PARAMETERS DURING THE FENCING LUNGE [pdf https://ojs.ub.uni-konstanz.de/cpa/article/view/1620/1523].
  14. http://www.menshealth.com/fitness/kinetic-chain
  15. 15,0 15,1 naar: understanding fencing, pagine 264