Mentaal

Uit schermwiki
Ga naar: navigatie, zoeken


De mentale factor is een van de prestatiebepalende factoren en wordt veelvuldig besproken in de topsport (NOC*NSF) en in het schermen (NAS, KNAS, in de trainingszaal en op de wedstrijdloper). Daarin wordt door ieder coach en boek (Railo, Kogler, Rianne, Douwe, Muraru, etc.) steeds een ander invalshoek gekozen. Je kan duidelijk merken dat het thema “mentaal” heel breed wordt geïnterpreteerd.

1 Inleiding[bewerken]

1.1 Godsoordeel[bewerken]

Moraru begint met het uitleggen wat een “godsoordeel” is in een tweegevecht. In een duel om een geschil te slechten, heeft degene met de beste mentale staat, met “God aan zijn zijde”, de beste kansen om te winnen. Als je heel sterk gelooft in de sturende werking van een Hogere Kracht en je weet dat je in je recht staat (bijvoorbeeld je liegt niet) sta je vast ontspannen in het gevecht…..

Later benadrukt Matthew Syed in het boek “Bounce: the myth of talent and the power of practice” hoe in tweegevechten tussen Mohammed Ali en zijn tegenstanders tot nieuwe hoogten kwamen wanneer beiden hun geloof achter zich hadden staan. Syed legt uit dat het verhogen van het eigen zelfvertrouwen, het leren winnen en het gebruikmaken van een verhoogde staat van bewustzijn losgekoppeld van het geloof door gebruikmaking van mentale technieken.

1.2 Mentale factor zeer belangrijk bij schermen[bewerken]

In het schermen is de mentale factor ALTIJD aanwezig. Kogler[1] noemt “mentaal” de grootste component die het winnen of verliezen op hoog niveau beïnvloedt (40%), in vergelijking met fysiek (30%) en techniek/tactiek (30%).

Schermen heeft een aantal eigenschappen die ertoe leiden dat het mentale gebeuren zo belangrijk is, zoals:

  1. een zeer open sport,
  2. een hoge mate van technische vaardigheid die nodig is,
  3. gevoel, intuïtie en timing spelen een grote rol,
  4. de hoge spanning van het gevecht en de tweestrijd op de loper.

1.3 Mentale factor speelt in leven, trainingen en wedstrijden[bewerken]

Naast het gevecht tegen je tegenstander voert de atleet nog een groot gevecht, namelijk dat tegen zichzelf. Er gaat geen wedstrijd voorbij zonder dat je hoort of concludeert “deze heb ik van mijzelf verloren”. De mentale factor komt zodoende terug in IEDER aspect en IEDER moment van de atleet zijn leven. Volgens Kogler moet een dus schermer een sterke mentale toolset en mindset ontwikkelen, waaraan hij ZIJN HELE LEVEN baat heeft. Momenten en voorbeelden waar mentale vaardigheden worden gevraagd zijn:

  • Lifestyle
    • Weten prioriteren van keuzes, bijvoorbeeld bij diëten, op tijd slapen, geen alcohol.
    • Het kunnen motiveren om naar trainingen te komen (regelmaat), wedstrijdbezoeken (en het vele reizen wat daarbij komt kijken), etc.
  • Trainingen
    • Doorzettingsvermogen tijdens veeleisende fysieke trainingen
    • Continue focus op de leerdoelen en het nastreven van een steeds hoger doel.
    • Sociale cohesie van de groep bewaren en daar aandacht aan besteden.
  • Wedstrijden
    • Arousal control > het vinden van het juiste spanningsniveau en dat weten te behouden.
    • Emotional control > juiste emotie, positieve gedachten, zelfspraak
    • Focus > focus op het juiste moment extern (bij de taak/tegenstander > doen wat moet gebeuren), breed extern (omgeving/coach), intern nauw (zelfreflectie en formuleren nieuwe taak), intern breed (wat voel ik, tot rust komen, spieren ontspannen, etc.).
    • Rust pakken tussen de wedstrijden
    • Omgaan met scheidsrechter, omgaan met publiek (bijvoorbeeld ouders), media, etc.

2 Mentalen factoren[bewerken]

Mentale factoren kunnen beschreven worden aan de hand van emotionele intelligentie.

De vijf belangrijkste EQ-eigenschappen zijn:

  1. Zelfkennis. Mensen met een hoog EQ hebben het vermogen om de eigen denkwijze, mogelijkheden en onmogelijkheden te kunnen inschatten en daar conclusies uit te trekken.
  2. Optimisme. Mensen met een hoog EQ denken positief over hun eigen mogelijkheden en laten zich niet snel uit het veld slaan.
  3. Kunnen afzien. Mensen met een hoog EQ kunnen het opbrengen om te werken aan iets wat ze op lange termijn willen.
  4. Empathie. Mensen met een hoog EQ kunnen zich goed verplaatsen in de gevoelens van anderen.
  5. Sociale vaardigheden. Mensen met een hoog EQ kunnen goed met zowel bekenden als vreemden omgaan.

Volgens Furnham[2] scoren mensen met een hoog EQ op de volgende vlakken:

Aspect Mensen die hoog scoren beschouwen zichzelf als…
Aanpassingsvermogen Flexibel en bereid om zich aan nieuwe omstandigheden aan te passen
Assertiviteit Vastbesloten, eerlijk en bereid om voor hun rechten op te komen
Uitdrukking van emoties In staat om hun gevoelens over te brengen op anderen
Beheersing van andermans emoties In staat om gevoelens van anderen te beïnvloeden
Waarnemen van emoties (van zichzelf en anderen) Duidelijk over eigen en andermans gevoelens
Regulering van emoties In staat hun emoties te beheersen
Impulsiviteit (laag) Bedachtzaam en weinig geneigd om aan impulsen toe te geven
Relatievaardigheden In staat om bevredigende persoonlijke relaties te onderhouden
Zelfrespect Succesvol en vol zelfvertrouwen
Zelfmotivatie Gedreven en niet geneigd op te geven bij tegenslag
Sociale vaardigheid Talentvolle netwerkers met uitstekende sociale vaardigheden
Stressmanagement In staat om moeilijkheden het hoofd te bieden en stress onder controle te houden
Neiging en empathie In staat om zich in een ander te verplaatsen
Vrolijk karakter Opgewekt en tevreden over hun leven
Optimistisch karakter Vol zelfvertrouwen en geneigd de zonzijde van het bestaan te zien.

3 Gevoelkompas van een topprestatie[bewerken]

Gevoelens zijn erg bepalend voor het leveren van een topprestatie. Een goede schermer kan dan ook zijn gevoelens 'sturen' zodat hij optimaal kan presteren.

Volgens Garfield:[3]kan hij dit doen aan de hand van zijn interne gevoelskompas, schematisch weergegeven in de figuur rechts.
prestatiekompas volgens Garfield laat zien hoe de topatleet zijn gevoelens moet richten.

Samenvattend zijn de gevoelens positief. De aandacht is gericht op de huidige prestatie, niet op gebeurtenissen in het verleden of toekomst. De energie is groot. Factoren die hiertoe leiden zijn onder andere:

  • Zelfverzekerd en fysiek en mentaal ‘compleet’: het vermogen en de wilskracht van de sporter is volledig afgestemd op HET moment.
  • Er is een duidelijke verwachting van succes: de sporter voelt dat er niets is wat hij/zij niet zou kunnen als het moet. Een soort weten van binnenuit, dat wat ik ook ga doen, het gaat mij lukken.
  • Het leven van alledag verdwijnt naar de achtergrond, en de sporter begint volledig in het moment te handelen, alsof een automatische piloot wordt ingeschakeld.
  • De sporter is volledig op het nu gericht en de concentratie is zo sterk dat handelingen worden voorzien voordat ze plaatsvinden. Dit kan een intense concentratie zijn op een kleine verrichting, zoals in het schermen, of in het schoonspringen. Of het kan een intenste concentratie zijn op het grote geheel, zoals in het basketballen.
  • De sporter voelt dat hij/zij de beschikking heeft over een buitengewone kracht, die soms van buitenaf lijkt te komen en hun normale energie overtreft, of uit een nieuwe bron binnenin hem of haarzelf.
  • Het gevoel van volledig opgaan in, en een perfect afgestemd zijn op de handeling die de sporter verricht. Hierbij zijn geest en lichaam volmaakt op HET moment afgestemde instrumenten.
  • De volmaakte emotie, waarbij de sporter een gevoel van vreugde en extase beleeft.
  • Samenvattend: De gevoelens zijn positief. De aandacht is gericht op de huidige prestatie, niet op gebeurtenissen in het verleden of toekomst. De energie is groot.

Factoren die niet leiden tot het leveren van een topprestatie:

  • In de segmenten van de middelmatige prestatie varieert het brandpunt van de aandacht. In plaats van zich te concentreren op het nu, richt de sporter zich nu en dan, of voortdurend, op iets in het verleden (zoals een fout of een mislukking), of op iets in de toekomst (bijvoorbeeld de angst, de volgende uitdaging niet aan te kunnen).
  • De concentratie kan ook minder zijn ten gevolge van boosheid jegens een andere deelnemer, zodat men meer aandacht heeft voor een vereffening dan voor de prestatie zelf.
  • Het middelmatig tot wisselend energieniveau in het linkersegment is verklaarbaar doordat energiereserves minder worden, mogelijk als gevolg van een lichte depressie, afleiding, of vermoeidheid. Maar problemen ontstaan niet wanneer het energieniveau wat lager is, maar wanneer de sporter er niet op kan vertrouwen, omdat het van het ene moment op het andere moment kan veranderen. Het belangrijkste verschil tussen de twee segmenten van middelmatige prestatie betreft de gevoelens, die links positief en rechts negatief zijn.
  • In het segment van zwakke prestatie is er sprake van een combinatie van ongunstige componenten: negatieve gevoelens (zoals woede, angst, wraakgedachten, etc.), geringe energie (gevoelens van tegenslag, luiheid, vermoeidheid, neerslachtigheid, of opgebrand zijn), en onvermogen tot concentratie.

4 Bronnen[bewerken]

  1. Aladar Kogler: One Touch at a Time: Psychological Aspects Of Fencing, 2004
  2. 50 inzichten in de psychologie
  3. Charles A. Garfield: Topprestaties, boek, 1984