Motorisch leren inleiding

Uit schermwiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Het eerste deel, waarin enkele algemene uitgangspunten en overwegingen met betrekking tot het thema motorisch leren worden gepresenteerd:

1 Definitie leren[bewerken]

  • Bruikbare definitie leren: ‘een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving” (Schmidt & Lee, 2005 - behavioral benadering). Motorisch leren heeft dan betrekking op veranderingen in het vermogen om motorische taken of activiteiten uit te voeren die het gevolg zijn van oefening en training.
  • Het gaat om de langere termijn. Een les/oefening die na de training betere prestaties geeft kan dus een lage leerwaarde hebben als het na een langere periode (enkele weken) slecht onthouden is. Iets wat een kleinere prestatiewinst direct na de training geeft, maar wel onthouden wordt (’storage strength'), is dan beter. De coach moet dus niet alleen kijken welke voortgang er geboekt wordt tijdens de training, maar welke voortgang blijvend is.
  • De leeromgeving/omstandheden waarin geoefend worden bepalend wat geleerd wordt. De training(szaal) is anders dan een schermwedstrijd. In hoeverre het geleerde ook tijdens de wedstrijd kan worden toegepast (een ‘transfer’) moet je als coach eigenlijk testen en continue in de gaten houden.

2 Deliberate practice[bewerken]

  • Techniek- en coördinatietraining speelt in het schermen een belangrijke rol. Bij ‘deliberate practice’ gaat het om oefening die gericht is op het realiseren van specifieke, grensverleggende doelen, zoals een schermer die al een patinando kan uitvoeren, maar deze nu met een slag-steek wilt combineren. ‘Deliberate practice’ is gericht op vernieuwing en niet een vorm van drillen of inslijpen door eindeloze herhaling.
  • Het gaat niet om zoveel mogelijk trainen, maar op gerichtheid (focus) en kwaliteit (gedoseerd). Onderzoek van Ericsson (1993) wijst op 4 uur per dag voor 10 jaar (10.000 uur regel) om wereldtop te worden.
    • Deze 10 jaar, 20 uur per week oefenen geldt OOK voor een schermer (10*1000 = 10*50 weken * 20 uur per week)
    • Hierbij gaat het niet alleen om pure tijd op de loper, er zit ook voorgeschiedenis (athletic skills)in. Er zijn ook andere mogelijkheden om de fysieke trainingstijd in te vullen (zie crosstraining).
    • Dit betekent dat een topatleet/schermer vaak een belangrijk 'talent' moet hebben, namelijk TIJDMANAGEMENT. De praktijk is namelijk dat deze 10.000 uren vaak naast gezin, studie, werk, reizen, etc. moet worden ingepast. Zie verder lifestyle.
  • Goede oefening is belangrijker dan ‘talent’, al moet je wel aan bepaalde randvoorwaarden voldoen (lang genoeg bij basketbal, bijvoorbeeld).
  • Inspiratie: 71-jarige Tom Amberry breekt wereldrecord basketbalworpen na 40 jaar geen basketbal aangeraakt te hebben.

3 De keuze van oefenvormen[bewerken]

  • Er zijn veel oefenvormen mogelijk zoals:
    • operante conditioneringstechnieken,
    • imitatie- en observatieleren,
    • mentale verbeelding,
    • extrinsieke toegevoegde feedback (waaronder video)
    • variabel oefenen
  • in allerlei smaken:
    • leren met een externe versus interne focus van aandacht,
    • expliciet leren versus impliciet leren (inclusief analogieleren en foutloos leren),
    • traditioneel leren versus differentieel leren,
    • enzovoorts.
  • De effectiviteit (en dus keuze) wordt bepaald door (1) de individuele kenmerken van de sporter, (2) de stijl van de trainer en (3) de context/omstandigheden. De ‘beste’ methode bestaat dus niet.
  • Als trainer moet je per schermleerling kiezen op basis van ervaring en trail-and-error. Kennis uit (wetenschappelijk) onderzoek helpt (zeker als je de leerling niet kent of kennis ontbreekt), maar wijst wel naar de ‘gemiddelde mens/atleet’.
  • ‘oude/traditionele’ leermethoden (gevolg ervaring) kunnen worden overgenomen, maar toepassing van de (huidige) wetenschappelijke inzichten zal leiden tot een betere training (en leerprestatie van de atleet).

4 Voorbij de drie stadia van Fitts en Posner[bewerken]

Het bekendste model voor motorisch leren is Fitts en Posner (1967). Dit stelt drie stadia van leren:

  1. cognitieve fase: doorgronden van de beweging of actie (expliciet stap-voor-stap).
  2. associatieve fase: de beweging krijgt (tactische) betekenis (oorzaak-gevolg), de beweging wordt een geheel en verbetert (expliciet)
  3. autonome fase: de beweging wordt automatisch, zonder bewuste aandacht of sturing (impliciet). De aandacht kan gaan naar de wedstrijdstrategie (en/of tactiek in het schermen?).

Het is dus zo dat volgens dit model expliciete kennis wordt omgezet in impliciete kennis! Deze vorm van impliciete kennis noemt men 'procedureel geheugen'. De relatie met de drie staia van Fitts en Posner wordt uitgelegd in de Engelse wiki onder Procedural memory.

Kritiek komt uit recent onderzoek naar motorische processen:

  • Het model stelt dat de aandacht eerst intern en dan extern moet worden gefocussed > deel 2.
  • Het model stelt dat in het begin expliciete stap-voor-stap instructies nodig zijn (en op het einde niet meer) > deel 3
  • Het model stelt dat men moet ‘drillen’ of inslijpen op het einde > deel 4.